is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't geen wonder was van Joris; dat was toch vernederend voor hem.

Men liep hier zoo heerlijk over dezen groenen, zachten weg. En 't was zoo aardig, om telkens naar de kalfjes te kijken, met hun prille koeienkopjes. Ze sprongen zoo leuk en waren nog zoo mooi schoon. Ginds was ’t zoo, dat men niemand meer zag; de hofsteê was uit 't oog, 't leek hier wel 't eind van de wereld. En, zooals ’t een enkelen keer meer gebeurde, vatte Phaantje hem bij de hand.

„Oom, ik was daarnet tegen u niet aardig..

Joris keek op, verlicht, dat zij 't eerst begon. „Ja, dat was je wèl, Phaantje; en je had ook groot gelijk. Er moest hier controle wezen. Ik weet nog veel meer dan jij. Maar ik kan niet praten, dat is het; ik kan ’t aan tante Visser niet vertellen, want dan stuurt tante er Edmund op af, en Edmund zou ’t nog anders zeggen dan jij. ’t Is om juffrouw Koster. Voor Wijntje Koster mag je aan al wat Komijn is niet raken. En van mij kan ze ’t zeker niet velen. Wijntje heeft de ouderen nog te goed gekend. Ze weet precies, hoe papa en mama met Mijntje Komijn waren, en ook met Naatje; ze is er dikwijls genoeg bij geweest.”

Daar was het gezegd: Stephanie overzag den staat van zaken. Haar oom was bang voor Zwarte Wijntje, ontzag haar tenminste in een mate, welke meer dan behoorlijk was en hielp stilzwijgend huisbewaarders handhaven als de Komijns. Maar nu was er tenminste een naam genoemd. Stephanie wachtte, wat zou volgen.

„Phaantje, je moet juffrouw Koster niet rekenen naar dien vent hier; ze heeft een zwak voor hem, maar zelf is ze anders. Wijntje is een wijze vrouw; ze aardt naar die oudere menschen, waar papa zoo graag mee over geestelijke dingen sprak, en Wulfert Willibrord was haar eigen vader. Ik zelf weet het zoo recht niet, ik was nog een kleine jongen in dien tijd. De geest was hier zoo, schijnt ’t... Willibrord kwam ook al bij grootpapa Meylof aan huis, en daar is nooit onaardig over gesproken. Maar later is dat veranderd; oom Grauwenhingst en tante Visser tenminste moesten van Naatje niets meer hebben en altijd moet ik nog hooren, dat ’t niemendal voor mij deugde, om er ’s avonds bij te zitten, bij