is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MOOIE MEISJE MADJE

Stephanie en haar zuster Madje trachtten zoo veel mogelijk met elkander om te gaan. Maar indien zij geen zusters waren geweest, had noch Phaantje Madje, noch Madje Phaantje voor vriendin gekozen. Nu lag het geval er toe, en zij hielden vrede.

Zoo kwam dan Madje op haar beurt theedrinken op de Putterstraat, met een frivolité'tje of een fraai handwerk; ze was knap met de naald en hield van alles, wat fijn en mooi was. Zij wilde wel graag over kleeren praten, maar vond bij haar moeder en haar zuster geen weerwerk genoeg. Zij keek naar haar moeders verwerkte handen en meende, dat het zóó toch niet hoefde. Madje wist dat de familie het zeer zou afkeuren, wanneer zij, nu zij 't bij grootmama Visser zooveel beter had, mama en Phaantje links liet liggen; zij zorgde dus wel, dat niemand dit zeggen kon. Als zij boodschappen ging doen in de provinciale hoofdstad, zou 't niet missen, dat zij haar moeder vroeg om haar te vergezellen; en hoewel de hokvaste Anna steevast antwoordde: „Laat Phaantje maar met je gaan," zoo versaagde Madje in 't vragen niet, tot het ten leste een beleefdheidsphrase was. Doch ook Phaantje stelde dikwijls tante Veronica als gezelschap voor, en wanneer Madje dan antwoordde: „Goed, voor dézen keer, een volgenden keer jij weer," was de zaak eigenlijk pas opgelost tot aller genoegen. Want Anna's strenge begrippen kwamen haar oudste kind materieel nu juist niet te stade; zij wilde niet dat Phaantje iets kocht van de wereldsche begeerlijkheden, of er moest contant geld voor zijn. Zoo waren dus voor Madje de hoedjes en japonnen, de fijne kousen en sierlijke schoentjes uit het provinciale modemagazijn. En pas als grootmama Visser boos werd en zei: „Anna, nu wil ik niet, dat je me langer tegenwerkt," kwam Phaantjes moeder over haar bezwaren heen en stemde er in toe, dat de