is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edmund sloeg hartelijk zijn arm om haar heen, kuste haar kleine wangen rechts en links en vroeg kinderlijk: „wat heeft u voor mij, grootmama?’’ Want zij had het niet willen schrijven; neen, hij mocht het pas zien, als hij er was en zijn moeder en Phaantje en Madje hadden het absoluut niet mogen verklappen.

„Ga maar es mee."

„Is het dan buiten, grootmama?” vroeg Edmund, al nieuwsgieriger.

„Ik vraag je immers om met me mee te gaan.”

Er was nog geen woord gesproken, geen kopje koffie gepresenteerd; Edmunds koffertje stond nog in de gang en zijn nichtjes hadden haar goed nog aan. Hij had zijn moeder alleen in 't voorbijgaan gegroet, want Veronica had gezegd: „loop maar dadelijk door, Edmund; grootmama zit zoo op je te wachten, mij zie je straks wel." Dat hoorde Edmund vaak van zijn moeder: „ik straks wel,” want Veronica zou nooit zeggen: „nü ik."

Edmund liep met zijn grootmoeder de glazen deur uit, den voortuin in en vroeg weer: „is ’t ver?” Want hij begreep op geen voeten of vademen na, waar hij heen moest. Maar de oude Steefje schudde van nee; ze liep bijna haastig, ze had niet eens haar stokje mee en gaf Edmund maar losjes een arm. Ze gingen het rechte pad van den voortuin af en kwamen aan ’t rozenhegje; ze deed zelf het grendeltje los van ’t hekje onder de kleine rozenpoort. Nu waren ze op de zandige slingerpaadjes van het oude gedeelte en Steefje liep door, tot heel aan ’t eind.

Het koetshuis, in de stalstraat gelegen, had een zijdeur in den achtertuin. Die zat altijd dicht, en dik onder de spinnen. Maar toen ze er voor stonden zag Edmund met verbazing dat de deur was schoongemaakt, en dat ook het ronde venster er naast frisch en helder blonk.

„Hier moeten we wezen," zeide Steefje, met evenveel triomf ils liefde in haar zwarte oogen, omdat Edmund nog maar niets begreep. En ze stond stil voor de deur, om er van te genieten. Maar Edmund voelde nu toch, dat hij koers naar de verrassing zette. En hij meende ineens, dat hij ’t wist: „heeft u een nieuw