is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo gingen dan Madje en Koos Klaphek al vroeger en vroeger naar bed. Madjes spraak werd al iets onduidelijker, wanneer zij met haar gezicht boven de sprei stond, werd onverstaanbaar onder ’t uitkleeden en verstomde, als haar oor het kussen raakte. Zoo bijtijds gingen zij de rust in en zoo diep en verkwikkend was deze, dat Koos bij wijlen den wekker nog voorkwam. Dan lag hij, monter en verfrischt, uit te kijken; daar zeilden de wolken aan den hemel en de morgenwind stond dapper op het raam. Hij verlangde er naar om buiten te komen, op zijn fiets te stappen, stevig door te rijden, den klinkerweg langs, met hier en daar een fikschen trap over de kuilen heen. Hij verlangde al weer naar zijn werk, de bedrijvigheid van ’t volk en de knusse keet, waar hij om twaalf uur zijn boterhammen opat. Hij verlangde naar de kleur en de lucht en de materie van dakpannen, verglaasd en onverglaasd, van baksteen en timmerhout en versche verf. Hij wilde ook aan den anderen kant van de provinciale hoofdstad bouwen; dan zou hij in tijden niet thuis zijn, alleen den Zondag. Hij vroeg zich af, of hij bij de week zou kunnen zien, dat de jongetjes groeiden.

Hij stoorde 't nog kalm voortduttende Madje maar niet, stond op en ging zijn kindertjes een voorzichtig zoentje brengen. Hij ontbeet, haastig en smakelijk, want ook de meiden zorgden goed. Hij dacht aan den lieven, langen dag, welke vóór hem lag, aan zijn nieuwe teekeningen, aan dekking met riet en aan eerste hypotheken. Elk gevoel van druk en verslagenheid was hij nu kwijt. De zon stond nog niet hoog, maar zij rees, rees... en 't werd in de lucht gaandeweg milder. Als de zon ook dezen dag gedaald zou zijn, moest hij weer thuiskomen, en ’t was donker en kil...

Maar welke flinke man denkt daar nu aan, zoo lang al vooruit? Aan een donkeren, killen avond, aan leegte en teleurstelling... als hij in de vroegte naar zijn werk fietst!