is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kind heeft gehoord en toen niet goed begrepen, staat nog geschreven aan de plek, in de letteren van een vergeten schrift.

Maar het vergetene is daarom niet wèg, het is nooit werkelijk de poorten uitgegaan om te verdwijnen, te verwaaien in 't vrije veld. Alles is binnen de wallen gebleven. Een beklemmend nabuurschap bestaat er, een gruwelijke intimiteit, tusschen de huizen van een enge straat. De straten en de huizen kunnen alles van vroeger elkaar nog verwijten, elkaar beschuldigen, over en weer, en al het slechte eindeloos ophalen. De stadsgrond is vergeven, teveel is daarin neergezakt.

Daarom kan in de doode stad alles zulke vreeselijke vormen aannemen. Burentwisten en familieveeten, erfelijke ziekten, zielsziekten, epidemieën, de geestelijke niet het minst. De heksenwaan greep om zich heen en de poorters leken allen bezeten, want in de foltering hadden zij allen elkander bezwaard. Een man werd verbrand aan den paal op 't marktplein, ter eigener plaats, waar een valsche vriend een onvoorzichtig woord uit zijn mond bejoeg; hij had hier met hem gespeeld als jongen. En de boer, die geregeld markten kwam, reed thans met zijn wagen het hout voor den mijt binnen. Die werd midden op 't plein gestapeld; boven de lage huizen kwam de rook en een dunne vlam uit en er was veel volk op de been...

— De doode stad is niet goed meer, voor niemand; al te zeer is haar tijd voorbij. Zij deugt niet meer, noch voor de zwakken, noch voor de sterken. De sterken staan tegen haar op, de zwakken worden zwakzinnig.