is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAGJE VERHAGEN

Waren Edmund en David Grauwenhingst maar archivaris geworden, conservator aan een museum, paleoloog of gewoon historicus, wat hadden zij dan een nuttig en vruchtbaar leven kunnen leiden. Er was voor hun particuliere liefhebberijen ruimte genoeg geweest, bij een beroep naar hun neiging. Ze waren dan ook wel eerder getrouwd; er was een andere bedding geweest voor hun energie, een andere bedding voor hun affecten, dan een eeuwig kibbelen in diepste aanhankelijkheid. Want de broers konden elkaar geen uur missen; zag men den een, dan zag men den ander. Ze liepen altijd samen op straat, op immer gelijken afstand, niet vóór en niet naast elkaar, gelijk een slecht aangespannen tandem. Ze maakten 't elkaar maar moeilijk voor tijdpasseering en zouden hebben geschreeuwd van ontzetting bij een naderend uitzicht van erfopvolging in elkanders moois. Ze liepen ook geestelijk achter elkaar aan, als mannen, niet zoo goed ter been en niet zoo scherp van gezicht, die beiden benauwd zijn om te vallen, die beiden nog benauwder zijn, dat de een dit van den ander merken zal en toch immer de hand uitsteken naar eikaars nooit falend hulpbetoon. Wanneer hun vader bromde over hun verzuim in zaken, zwegen zij maar liefst, als jongens die een standje krijgen voor een slecht rapport: papa is boos, maar dat drijft vanzelf over. Hun vader was in zijn ouderdom milder geworden, zoodat, in felheid, Steefje ’t nu met stukken won van haar broer. Edmund en David waren daar blij om. Grauwenhingst hield veel van Aagje Verhagen, het kind zijner lievelingszuster, en dat was een band te meer, want van Aagje hielden zij allen. En 't kon gezegd worden: Aagje had het daar ook wel naar gemaakt.

Zoo had dan hun code van voorlang een paragraaf: Aagje.