is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steun zou vinden voor haar zaak. Amieke zou er evenzoo over denken als zij: dat Edmund een jongen was, bestemd om te leven, te studeeren, te reizen, uit te gaan, al het goede dezer aarde te genieten in een toekomst, welke veel beloven zou. Geen jongen om stil te liggen sterven in den tuin van zijn grootmoeder.

Mevrouw Visser maakte geen gebruik van een lange inleiding. Amieke kon nu ineens eens hooren, hoe 't was. Edmund zag er vandaag stellig beter uit; de verwachting alleen van Amieke's komst had hem opgefleurd en hij was ook grager geweest met eten. De oude Steetje zelf echter zag er niet beter uit; haar wangetjes leken nu wel weg te zijn uit haar gezicht en haar kleine krieken van oogen gloeiden van een toornig vuur. En daar begon zij: de doktoren gaven de hoop allerminst op, het lichaam bood krachtig weerstand. Als de rustkuur van dezen zomer nu 't gewenschte succes had — en de dokter twijfelde daar niet aan — zoodat Edmund in ’t begin van September naar 't Zuiden kon gaan, dan was ’t zoo goed als gewonnen. Hij moest daar dan natuurlijk blijven, een paar jaar desnoods, tot hij volkomen genezen en sterk zou zijn. Zij wilde ook zelf wel daarheen gaan, zij en haar schoondochter, opdat hij er zich niet eenzaam gevoelen zou. Men kon er dan een eigen villa huren en aan Edmund een prettig home bereiden.

— Doch eensklaps, temidden harer moedgevende verklaringen, werd haar eigen, fanatieke, woedende wil haar te machtig. Zij viel zichzelf in de rede, haar handen gebald tot kleine, dorre vuistjes, als de pootjes van een vogeltje, dat dood op zijn rug ligt. Die tragische klauwtjes schudde zij tegen den Hemel, als om de Almacht aan te klagen, dat Edmund, haar Edmund, sterven moest. En met haar ravenstem, de stem van haar toom, waar ieder voor beefde, kraste zij Amieke in 't gezicht, dat 't ook geen wonder was; hier, hier, vlak tegenover haar, zat Edmunds ergste vijandin, zijn eigen moeder, die zijn beterschap in den weg stond. Als men zal genezen, dan moet men ook medewerken, nietwaar? Men moet vastbesloten zijn om te blijven leven, dan sterft men niet, want de wil staalt de krachten. Maar de moeder van Edmund