is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met zijn mahonievoetjes in 't grind, stond gedekt en wel. Een theeblad, een schaal met gebak en een schaal met frambozen. Die waren uit den eigen tuin; dat was terstond te zien, want men had ze, naar ouderwetsch gebruik, onder 't plukken meteen tot een bergje gestapeld, de drie of vier witte framboosjes zorgvuldig bovenaan gelegd en den grootsten, rijpen vingerhoed, omgekeerd en met suiker gevuld, op den hoogsten top geplaatst. Het tafeltje was buitengewoon verzorgd met zilver, damast en kristal en tusschen de schalen stonden aardige, kleine, blauw porceleinen vaasjes, voor één maandroosje met één knopje, en één frisch bladertakje, tezamen in ’t nauwe halsje gestoken. Het pleintje was pas geharkt; er stond voor Amieke een prettig stoeltje klaar en op de tafel in den open koepel achter hen prijkte nog een hooge tuinbouquet, uit velerlei soorten kleurige bloemen en sierlijke grassen samengesteld, zooals alleen een ouderwetsche tuinman een ruiker vermag te schikken. — Er was een roerende poging voor wat feestelijkheid gedaan; de moeder had haar zoon en Amieke in hun laatste samenzijn deze vreugde gegund.

Amieke's stemming sloeg thans elk oogenblik om, zij wist heel niet wat zij van Edmund denken moest. Hij sprak gewoon en was gewoon gekleed; hij kon ook doorgaan voor iemand, die lang en hard gewerkt heeft en er nu de vacantie eens voor neemt om volkomen uit te rusten, zoodat zijn wenschen niet verder gaan dan een gemakkelijken stoel in een zomerschen tuin. Inderdaad kwam hij haar telkens in dit licht voor, ook toen zij met hem aan ’t praten raakte. Het leek haar niet vreemd; de Edmund, met wien zij in 't buitenland bergen beklimmen zou, was immers dien eigen morgen nog in wezen geweest.

„Waarom krijg ik nu geen prijsje van Ed?” dacht Amieke, want de stoutheid van haar stap: hem zoo maar te bezoeken, hield haar nog steeds bezig; men had haar thuis trouwens ook gezegd: ze moest weten, wat ze deed, maar 't stond opdringerig. Amieke meende, dat hij haar dus wel met eenige uitbundigheid had mogen beloonen. Zij vond het zonderling, dat hij niet eens overeind kwam uit dien stoel; hij had pas geslapen en moest dus uitgerust