is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen. En hij kon toch wel voorstellen, den tuin eens rond te wandelen. Zij sprak van het boek, en de doos, en de leliën; Edmund vroeg niet: „ga 't allemaal eens gauw voor me halen". Zij nam dit op als een onvriendelijkheid en hield nu harerzijds terug, wat eigenlijk op haar lippen brandde: dat zij haar nieuwe blauwe japon had meegebracht voor aan tafel, en om hèm te laten kijken.

Bij 't weerzien van Amieke had Edmund een rooden blos gekregen, zijn gezicht leek daar voller door. Maar ze zat nog geen vijf minuten, of de kleur zakte weg, alles werd even vaal, er scheen geen bloed meer te zijn in zijn lippen, zijn tandvleesch, zijn ooren. Hij vroeg haar om hem te bedienen; was hij dan zóó zwak, dat hij zelf geen frambozen meer kon opscheppen? Waarom moest zij zijn bordje vasthouden, terwijl hij at, en dat met een klein lepeltje; was een dessertlepel hem al te zwaar? Hoe kwamen zijn handen zoo knokig en groot? En wat was er met zijn haar gebeurd? Het was dun, dor en droog, het plakte opeen en toch was ’t niet veronachtzaamd en slordig.

Amieke hield het niet meer uit. Zij keek hem aan met ronde schrikoogen en vroeg, nu zelf vuurrood: „Edmund, je merkt toch wel, dat je vooruit gaat?"

„Nee," zeide Edmund kalm, „ik ga heelemaal niet vooruit, Amieke. Ik ga achteruit. Niet bij den dag, dat kan ik niet zeggen, maar bij de week toch wel."

„Eddy, Eddy," riep Amieke, „dat is niet waar, daar is niets van aan! Ik heb binnen gepraat met je moeder, en ook met je grootmoeder, en de doktoren geven alle hoop, als je in September naar 't Zuiden gaat."

„Dat zal mijn moeder je niet gezegd hebben."

„Nee, 't was je grootmoeder, maar dat doet er immers niet toe. Ed, lieve Ed, je wordt beter, en als we getrouwd zijn, gaan we daar wonen, hoor je, wónen, dat je niet meer in dat Hollandsche klimaat terug hoeft. En je hoeft nooit meer te studeeren of te werken, als je maar bij me blijft."

„Ik wou, dat ik 't voor ’t zeggen had... om jou,” zeide de

Af artelaarskroon

12