is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was Amieke met Veronica alleen, en kon zich niet hervinden. Zij schreiden nu beiden, spraken een paar woorden over Edmund, zwegen weer en schreiden zachtjes. Er was over Amieke een milder gevoel gekomen; de drang tegen haar borst liet af, er was een wijken. De moeder was zoo bitter bedroefd, en dit deerde haar voor een oogenblik. Veronica weende zeer; men kan nog wel w.eenen, al heeft men afstand gedaan.

Vóór ’t eten was Edmund in huis gekomen; des avonds lag hij op zijn kamer bij ’t open venster. Doch Amieke vroeg niet, hem nog eenmaal te mogen groeten. Zij ging vroeg naar bed; boven sloeg er een deur en 't tochtte op de portalen. Het was reeds merkbaar in huis: de lucht werkte. Het was vandaag te zwoel geweest, er kwam verandering van weer en de wind liep om naar ’t Westen.

De zware wolkenbanken maakten den hemel donker; op de bovenverdieping heerschte schemering, hoewel de zomerzon pas was gedaald. Amieke liep over gangen en trappen, zonder veel op te letten, achter Veronica aan. De logeerkamer, aan de tuinzijde gelegen, was groot en hol; de vensters waren schuiframenop-een-hor; die laten niet veel luchtigheid binnen, als ’t in de hondsdagen is. Op de ronde tafel in ’t midden stond een olielamp, welke haar schijnsel meer op de zoldering wierp dan in ’t vertrek, en een weinig riekte. Het licht was zoo gering, dat Amieke niet veel anders zag dan die tafel, een statig ledikant met gedraaide kolommen onder een groenen beddehemel, groen saaien gordijnen, thans geheel opzijde geschoven en een paar stijve, antieke slaapkamerstoelen, bekleed met zwart trijp. En, slecht bij dit alles passend, haar eigen koffer op de schraag.

Amieke zocht haar nachtgoed in dezen koffer en sloeg haar handen op haar blauwe middagjapon. De gedachte kwam bij haar op, dat zij deze terstond na de koffie had moeten aantrekken. Nu had zij steeds in haar sportjurkje geloopen, dien éénen dag, dat zij hier was, en Edmund had het japonnetje niet gezien; dat speet haar oprecht. Het was haar zóó te moede: men heeft iets laten voorbijgaan, dat ééns voorkomt, en nooit weer; een viering of