is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedenkdag, een stoet, welke één keer passeert, en dan onherroepelijk is voorbijgetrokken. Een groot moment — doch men heeft de gelegenheid verzuimd, men had er dan maar intijds bij moeten wezen; als „hadden” komt, is „hebben" te laat.

Het was slechts bij tusschenpoozen, en ook dan nog verre van volledig, dat Amieke zich bewust werd van wat zich heden aan haar voltrokken had. Haar breintje kon er niet goed bij, dat zij, Amieke, zoo'n vreeselijk verdriet had. Zij gevoelde meer teleurstelling dan smart. Het was geheel anders geloopen, dan zij zich had voorgesteld, er was iets ellendigs, een zware slag. Amieke was geenszins in staat om groote dingen te overzien, noch een ramp, noch vreugde. Zij schreide nog steeds gelijk een kind schreit: er is een groot gerinkel van scherven geweest, nu komt het te weten, dat er een ongeluk is gebeurd: de kop van de liefste pop is kapot en 't eetserviesje ligt aan gruizelementen... maar ’t kind wil er niet aan, zij weet het, doch gelooft het niet; morgen zal zij weer met det pop en 't serviesje spelen. —

— Amieke blies niet zonder moeite de lamp uit, stond nog even voor ’t raam in de komende koelte en stapte toen diep in een veeren bed. Dit deed haar buitengewoon behaaglijk aan; zij kende geen veeren bedden en dacht alleen: „wat lig ik zacht". Zij zakte met haar geheele zwaarte in een donzen put, zij zonk met haar hoofd in een donzen kussenkuiltje en sliep terstond.

Zij begon ook terstond te droomen; het rommelde en weerlichtte nog maar flauwtjes in ’t Westen, doch 't geluid en de kleine flitsen drongen toch wel tot haar zinnen door. Zij droomde warrelig: zij moest het boek en de doos nog geven en liep er naar te zoeken in de voorkamer. In dit vertrek was zij niet geweest, maar zij kende het in haar slaap, en overal waren de leliën. Zij moest de blauwe japon aantrekken en kon niet klaarkomen; er was iemand bij haar deur en zij stond nog in haar ondergoed. Nu moest zij, haast je, rep je, met de boot mee; zij gooide haar zaken in haar koffer bijeen, wist, dat zij de helft vergat en liep hulpeloos rond te tobben.

Maar de droom werd dieper, werd mooi; aan zulke droomen