is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en-gezond-zijn, dat Edmund bij tijden toch ook wel had gekend. Nu was er in haar beperkten gezichtskring een zwart ding gevallen; zij had er geen verklaring voor en vormde zich een beeld, vrijwel gelijk aan het beeld, dat een primitief, bijgeloovig mensch zich vormt van een beheksing. Edmund was onder een ban geraakt; nu kende zij wel het bezwerend woord, maar dat hielp niet, want hij wilde niet luisteren. Hij was ziek, maar hij kon genezen, als niet iemand het tegenhield. Doch daar begon het juist. Zijn moeder hield het tegen. Zijn moeder had hem, en nu kon Amieke er niets aan doen. Hij zeide: „je moet mij loslaten", want zijn moeder bereidde hem op 't sterven voor. Zijn moeder las hem uit den Bijbel voor en niemand keerde dat. Amieke stond er machteloos tegenover.

„Ja, zijn moeder leest hem uit den Bijbel voor," zeiden Gabri Grauwenhingst en jonker Govaert. Zij waren van zienswijze, dat dit ook zoo behoorde en begrepen niet, wat zijn meisje er op tegen kon hebben. Doch zij durfden niets vragen; zij wisten ook niet recht, hoe zij haar aan moesten pakken, zij waren geen vreemde jongemeisjes gewend. Zij waren aldoor bang, dat zij weer zoo zou gaan snikken en huilen; de boot kon er nu elk oogenblik zijn en wat gaf dat een scène... Zij susten en beklaagden haar, goedgemeend, als met vaderlijke klopjes. Toen de boot kwam en aanlegde, zei jonker Govaert, dat men even tijd moest nemen; hij en Grauwenhingst hielpen Amieke aan boord, brachten haar op 't beste plekje, bestelden koffie voor haar en zeiden tot de hofmeesteres, dat ze die jongedame droog en warm moest zien te krijgen, want anders werd ze ziek. Daar hadden Govaert en Gabri wel gelijk in. Toen Amieke niet langer praatte, zakte zij als ’t ware op een hoop. Zij zat daar, in de nog smoorheete kajuit, haar hoedje op de bank en haar hoofd tegen 't schot, zóó, dat 't hart er bij moest breken. Zij gaf haast geen antwoord meer en rilde met schokken. En, zooals dat gaat, het medelijden der twee oude mannen werd sterker opgewekt door dit zichtbaar onwelworden, dan door 't relaas van welken zielsnood ook. Als de hofmeesteres, hun beiden bekend, niet zoo goed en vriendelijk