is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf bevestigd, en Adolf wist niet hoe. Paarden die in een rouwstoet gaan krijgen geen opzetteugel; ze mogen hun koppen laten hangen, hoe treuriger, hoe gepaster, of ook er weemoedig mee schudden. Maar Tuinebreyer, in zijn zenuwachtigheid, zag nu overal de vreemdste ongelukken aankomen: deze paarden knikten toch wel erg diep; soms staken ze de panaches recht naar voren, zoodat ze wel eenhoomen leken en de koetsier vroeg zich af, of die dingen stevig genoeg zaten. Als er toch eens een pluim afviel, wat dan?... De paarden zouden doorloopen, men zou de pluim pas kunnen terugvinden en oprapen, als de koetsen er over waren gepasseerd, en dan was zij vertrapt. Moest men mijnheer Grauwenhingst uit het rijtuig roepen? Het zweet brak Tuinebreyer uit. Hij had nooit een begrafenisstoet gereden en hij hoopte maar, niet enkel uit vriendschap voor de familie, dat het in zijn leven de eerste en de laatste keer wezen mocht.

De burgers van 't stadje waren diep bewogen; Edmund Visser was nog zoo jong geweest. Ook de vroege dood van zijn vader en zijn oom werd door de bejaarde menschen thans menigwerf herdacht. En toch was er eigenlijk slechts aandacht voor Floris en Witte, de koetspaarden van mevrouw Visser; ze waren in lang niet gezien in de stad. Floris en Witte schoven meer, dan dat zij stapten; de paarden van de volgrijtuigen wilden telkens de koets opzij. Onder de schabrakken staken hun houten beenen uit, dat was alles wat men zag, met den staart en de oogen. De paarden, alles ontwend, waren geducht schichtig, dat was aan hun oogen wel te zien. Doch in de gaten van het kleed was 't geen gewone schichtigheid meer, doch een uitdrukking van namelooze kwelling. De gaten waren ruim, de oogen waren geheel vrij; het eenige wat leefde met rooden, somberen gloed in ’t doffe van de dekken. Want ook de ooren, welke toch gestadig bewogen, waren niet levend, van huid en haar, maar van zwarte stof. Niets was er onder de schabrakken dan vier oogen, die schoven voorbij op stokken, gemaakt als paardenpooten, en de staart was een doode bos paardenhaar. Hoe langzaam de stoet ook reed, 't duurde maar even, en dan waren de spokige paarden alweer voorbij. Maar