is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op Wittensteen was daar streng de hand aan gehouden: Edmund Grauwenhingst en Wendela wandelden zelfs niet samen. Voor David en Aagje had er tusschen hun vertrouwelijken omgang als neef en nichtje, en hun huwelijksleven onder precies gelijke omstandigheden en in 't zelfde huis, een tijd van strakke reserve gelegen. En Madje, die zoo ongewoon zelfstandig haar levensgezel gekozen had, zou nog 't meest van allen gechoqueerd zijn geweest bij 't veronachtzamen van deze vormen.

Zoo was dat nu eenmaal en geen andere gedachte kwam in Stephanie’s hoofd ook maar op. 't Was het honderdste misverstand tusschen menschen, die, uit geheel verschillenden kring geboortig, in nauw contact komen. — Phaantje doorzag dat niet; haar zuster had daarin handiger weten te manoeuvreeren. Madje had onmiddellijk bepaald, dat haar adat onvoorwaardelijk gold en Koos noch wil, noch gewoonten, noch opvattingen zou hebben. Dat was de eenvoudigste manier en men spaarde zich schokkende conflicten, welker uitkomst toch immers van te voren reeds vaststond, zoodat ze volstrekt noodeloos waren. —

„Voorlezen vind ik ook heel prettig," zeide Stephanie, „en dan straks graag wat zachte muziek. Ik ben moe, Corsje; ik ben zoo weinig gewend."

Zij zeide het zoo lief en nederig, dat Cor al haast bij den vleugel stond. Maar er was nu op voorlezen besloten, en straks was straks.

„Laat ik d a n tenminste je hand mogen vasthouden," zeide Cor. Hij legde de zijne resoluut op het akelige glas en Phaantje pakte die, eigener beweging. „Ziezoo," dacht Cor, „zóó houden. Als moè ons nu de thee maar brengt.”

Maar juist toen hij, wetend, hoeveel Stephanie van Boutens hield, was aangevangen met:

„den kristalijnen schrik van den morgenleeuwerik”,

timmerde een knokkel op de deur met een roffeltje van kort-langkort-lang, alsof 't de bedoeling was om aan een bevriend delin-