is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZIEKTE

Gedurende heel dien zomer voelde Stephanie zich loom en afgemat. Zij meed de menschen; zij deed haar deel van ’t werk in het groote huis en trok zich dan liefst terug in 't binnenkamertje. De voortvarende bedrijvigheid harer moeder irriteerde haar. Anna begreep dit gelukkig en liet haar zooveel als kon met rust. Ook Joris ontzag haar, maar juist hem had zij wel graag bij zich. Zij spraken slechts over kleinigheden, nooit meer over wat er gebeurd was.

Maar de wroeging over het gebroken woord achtervolgde Stephanie, waar zij stond of ging. En als in zelfverweer hield zij die ééne belofte aan haar tante Josine pijnlijk stipt en trouw. Zij las dag aan dag de Evangeliën. Zij wist nog niet recht, of zij er troost uit putte. Zij meende van wel.

Verder liet alles haar onverschillig. Zij merkte op, dat Praet des avonds stil uitging, verdwenen was eer men 't wist en begreep, dat hij Zwarte Wijntje weer ontmoette. Doch zij had geen kracht meer, om haar invloed tegenover dien van Wijntje te stellen. Zij liet hem begaan. Doch gaandeweg begon zij te bidden, of de Heer hem en haar genadig wilde zijn en hem uit Wijntjes macht verlossen.

Dien nazomer verhief zich de ziekte als nimmer te voren en geeselde de stad, dat zij sidderde. — Daar waren de lui van de Schrikkelpoort recht in hun nopjes mee. Want zoowel Fop als Aldert hadden al zóó lang de straffen des Hemels ingeroepen over dit Babylon aan de rivier en hare omkeering voorzegd vanwege hare gruwelen. En dan is het, als profeet zijnde, niet prettig, als men nooit eens gelijk krijgt.