is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De rauwe dokter Stompelok, die met alles lachte, had hen maar laten betijen. Het volk van bij Fop was tot geen voorzorgsmaatregelen te bewegen; nu, dan moesten ze maar hebben, wat er bij stond. Doch thans trof het zóó, dat een ernstig jong medicus in de praktijk van den ouden spotter was gekomen. Door zijn verstandig optreden, even doortastend als tactvol, wist hij zich den steun van burgemeester Wittensteen onvoorwaardelijk te verzekeren, en 't eerste wat hij aanpakte, was de Schrikkelpoort zelf. Men moest maar niet vragen, hoe ’t er achter bij Fop uitzag; zijn vrouw had de reputatie van 't smerigste mensch uit de stad te wezen en den bijnaam van Bertha Kleskop. — Fop, met de onverstoorbaarheid, den leden zijner secte eigen, keek er niet eens van op, toen de veldwachter Teunis hoogte kwam nemen. Zijn erfje, dat tegen de poort aanlag, was één groote vaalt. De stank sloeg er uit, toen Teun er het spit in zette, want Fop was gewend de naakte cadavers der bunzings of hermelijnen, nadat hij hun de huid had afgestroopt, achter weg te gooien, desnoods met een losse schop turfmolm er overheen, en de bloedige rompjes der mollen lagen tot vlak bij Bertha’s keukendeur. De veldwachter vroeg om hulp van een paar arbeiders, want Teunis was een nette man, en ook jonker Govaert wilde niet, dat hij in persoon die smurrie wegkruide. Met kruiwagens echter raakte men niet eens klaar, kar en paard moest er aan te pas komen. Het Schrikkelslop liep uit om te kijken en de buren zeiden, dat nou tenminste het kot van bij Fop eens werd uitgemest.

Overigens, wanneer de ziekte het volkje van bij Fop te na aan 't lijf kwam, gingen zij haar wel bestrijden, op hun manier. Zij vertoonden een zekere roerigheid; hun bijeenkomsten hadden vaker plaats; langer en luider klonk het verward gerucht van stemmen over ’t pleintje. En Aldert Welbedagt, thans voorgoed aan wal, sloop iederen dag de steeg in naar Wijnemie, zijn oud lief; ook Chiel, Wijntjes knecht en zijn zoon, liep heen en weer van de Kerkstraat naar de Schrikkelpoort, evenals zijn halfbroer, de sluike Wulfert. Algemeen werd er in de Kerkstraat verteld, dat er thans ook bij juffrouw Koster vergaderd werd. Maar ’t ging