is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht, „kan je niet meer vooruit?” — „Nee, Leen,” antwoordde Horewegt. „’k Geloof al z'n leven, dat ik ziek word. Kon je me maar op dat paard hijschen, want als ik maar eenmaal zoover als ’t veer was." — „’t Zou je nog niet meevallen," zei Leen Opzomer, „maar ’k zal wel een ommezientje bij je blijven. Temee komt de melkrijder langs, dan kan je achterop zitten.”

Het was niet goed, dat Hendrik Horewegt op den wagen bij al die melkbussen kwam. Want hij ging overgeven. „Wat niet weet, wat niet deert,” zeide Freerik, de melkrijder. „Hou nou in de stad je mond maar, want anders komt er spul, dat ik de melk niet mag afleveren en dan krijg ik nog van de boeren, omdat ik je geholpen heb. We zalle best maken, dat geen een ’t ziet.” En even voor ze aan ’t veer kwamen nam Freerik den zak, waar hij met zijn voeten op zat, haalde dien door de sloot, maakte Hendriks kleeren wat schoon, veegde achter den wagen uit, veegde de randen van een paar melkbussen om en zeide: „Zie zoo, klaar benne we."

— Hendrik Horewegt kwam de rivier over en onder den stadswal aan. Goedwillig en hulpvaardig waren de menschen hier genoeg: de walbaas dacht, hoe hij hem thuis moest krijgen. „Als ik z’n vrouw es haalde?" vroeg hij aan een oud visschertje, dat daar stond. Maar ’t visschertje schudde van „nee, beslist niet,” want vrouw Horewegt verwachtte allen dag een kind. En terwijl zij overlegden, zat Horewegt voor dood op de bank; weer had hij overgegeven, ’t Was een tref, dat net de karrijder op Harpen terug kwam in de stad; die bracht Hendrik gemakkelijk thuis. En de walbaas deed zooals Freerik; hij had een oud koedek, dat voor alles en nog wat diende en veegde de bank er mee schoon. Het koedek spoelde hij uit aan den kant en hing ’t te drogen. Den volgenden morgen legde hij ’t zoo lang uit over een mand met prachtige boerinnepruimen, welke met de boot mee moest. Want ’t ging regenen en de walbaas wilde niet, dat de pruimen nat aan dek kwamen.

Hendrik Horewegt stierf niet. Dat deed zijn vrouw, toen zij dienzelfden nacht haar kind dood ter wereld bracht, door den