is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna had verloren aan Cor Klaphek, en toch nog weerom gekregen.

Doch op een zekeren morgen, Phaantje was al vroegtijdig op de binnenplaats, kwam hij met een voorstel, dat haar grootelijks verbaasde.

Dien vorigen avond had hij van zijn zuster goede tijding meegebracht: Madjes ongesteldheid was tenslotte van geheel onschuldigen aard gebleken; de menschen haalden zich ook dadelijk het ergste in 't hoofd. Doch ’t uur van zijn thuiskomst was laat, veel later dan anders en Stephanie vroeg argeloos, of hij nu soms dezen keer een tijdje met haar moeder of met Koos had zitten praten. — „Nee, dat niet," had hij kort geantwoord en was terstond naar boven gegaan.

— En nu kwam hij Stephanie voorslaan, om dien middag een uitstapje naar 't eiland te maken. —

„Naar Vissersweert?" vroeg Stephanie bevreemd. „Ja, daar heb ik wel zin in, oom; maar zou mama 't willen? Dat durf ik niet zoo maar te doen, buiten mama om. Ik heb zóó beloofd, bij huis te blijven. U of ik, we mochten 't dan eerst wel even bij Klaphek gaan vragen."

— „Je moeder vindt het al goed,” zeide Praet. Maar Stephanie voelde, dat hij onwaarheid sprak. Daar kwam nog iets bij. Hij stond strak naar de pomp te kijken en zij zag, dat hij een kleur kreeg.

„Gebruiken wij dit water nog, Phaantje?" vroeg hij.

„Kom, oom," antwoordde Stephanie, zooals altijd spoedig kregelig, „dat weet u toch net zoo goed als ik. Alleen voor 't ruwe werk in huis. Maar voor onze lampetkannen en de karaffen wordt het gekookt en ’t water voor aan tafel ook natuurlijk, en geen kopje of bordje wordt er in ongekookt water omgewasschen. Ik vind het niet aardig, dat u nu weer naar den bekenden weg vraagt; 't is net, of u mij niet vertrouwt. En ik ben toch zoo overvoorzichtig, ze lachen er mij gewoon om uit. Ed Grauwenhingst heeft al gevraagd, of ik u zelf niet moest koken."

„Nee, zoo moet je ’t nu niet opvatten, Phaantje," zeide Praet