is toegevoegd aan uw favorieten.

Alles komt terecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij veiliger, nu gansch het bosch tusschen mij en het jagend gezelschap van den kasteelheer lag en mijn schoten verdoofde. Had ik te voren soms scherp toegeluisterd om te onderscheiden of ik uit de verte, van over den heuvelkam, hun geweerknallen hoorde dan wel den weergalm van mijn eigen roer, thans vuurde ik stoutmoediger. Maar vooral mijn jacht op een haas had mij roekeloos gemaakt, roekeloos en hardnekkig in een scherpe opwinding.

Ik stapte tusschen het betenloof, toen hij plotseling, bruin en wit en angstig, opwipte. Ik lei aan. Hij buitelde een paar malen, hinkte, sloeg dan weer op een loopen, tot midden in een stoppelveld, en stopte zijn vaart. Ik naderde, mikte opnieuw, vuurde. Hij was een drietal meter verder gesprongen en viel toen op de zijde, — blijkbaar gewond. En daar hebt gij nu het jagen zonder hond. .. . Telkens als ik naderde en op het punt stond hem te grijpen sprong hij nog hinkend, met de inspanning van zijn laatste kracht, eenige passen verder. Ik wilde hem van zoo dichtbij geen lading schroot door de lendenen jagen. Ik weet niet hoe ik mijzelf zoo heb kunnen overwinnen of opzweepen, — maar ik, die het aanraken van het wild de ongezellige zijde van het jagen vind, ik heb mij, den gordel vol geschoten gevogelte, op het dier geworpen. Met een nekslag over den loop