is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE schrijfmachine van Jozefien Velting kleppert en ratelt van heel dichtbij. En ver weg gonzen en snorren de drukpersen en zetmachines. Bos de chef-zetter praat ergens . . . En Louwtje Kot de loopjongen draaft dienstvaardig door de lange gang en fluit iets dat erg op: „S° ein Madel" lijkt. Het zonlicht dat door de lange vensters van het Bureau breed over het volle blad van Taco Solwerda's schrijftafel valt, rust warm en nog hel op de ordelijk gerangschikte krantenknipsels en archief-foto's van gisteren. Op een van die stapeltjes ligt een kiek van Kathe von Nagy: een steik-vermagerd gezichtje, met een naakte glimlach en naakte oogen. De groenige apotheekflesch achter haar met de aangevreten herfst-roos flonkert of er een licht in brandt. Onder de eiken luifel van het Waaggebouw links aan de overkant van de Prinsenstraat, neemt Jurgen Rupke zijn plaats in, als een man die daar zijn goed-gesalarieerde vaste betrekking vervult. Kaatin de werklooze smoutzetter komt ook weer langzaam naderbij. En op de hoek van het KoninginSophiaplein staan de stempelaars grauw en onbeweeglijk als looden mannetjes voor de norsche gevel van het politiebureau. Het carillon van de Lambrechtstoren speelt: „Dankt, dankt nu allen God." En een heel eind achter de spitse grijze pui-muren van het kadaster en het registratiekantoor, krioelt het brommerige verkeerslawaai van de Groenmarkt.

Onder zijn werk door en over de breed opengeslagen groote couranten heen, kijkt en luistert Taco Solwerda terloops naar dat alles. En dan kunnen er ook nog onsamenhangende gedachten in hem opkomen over Anne-