is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cris zijn vrouw, over Cobie Savrij haar vriendin, Weigel Altenstadt haar vriend — zijn beide jongetjes Us en Thieu. En dat kan dan ook weer onderbroken worden door een fragmentje uit een giftig gesprek met de gedelegeerde commissaris Krabbeel: „Maar als directeur en hoofdredacteur van „De drie Meren" heb ik toch ook wel het recht een en ander vast te stellen, mijnheer Krabbeel?, of niet?, of niét? Wilt u van „die" Solwerda heelemaal een stroo-pop maken?" De herinnering aan een lees- en bittertafeldebat in „De dubbele kandelaar" maakt daar een eind aan. Dasselaar uit het pelterijenmagazijn schettert over het industrieele proletariaat. „Waarom moet de energieke zakenman genekt worden door al die sociale bepalingen — als winkelsluiting, arbeidsduur, veiligheidsmaatregelen, loonlijsten, arbeidsinspectie — zegeltjesplakken . . .?" „Moest er toch iets tegen ingebracht hebben", zegt Taco kwaad in zichzelf. „Maar dat bont-ventje is een van onze beste adverteerders."

Hij leest meteen verder, streept een en ander aan, knipt hier en daar wat uit: een beschouwing over de Rijksdag te Neurenberg, een beknopt bericht over de concentratie van de Britsche vloot in de Middellandsche Zee. En dan kan hij ook nog met Axel Kroeze, de gemeente-secretaris, over de oude vestingwallen van Rijckevorsel loopen en onzinnig tegen die man uitvallen: „Och Vadertje Alwetend, wat zwam je toch over huwelijksproblemen! Een celibatair als jij heeft immers geen benul — geen notie van — van de diepere samenhang, de offerbereidheid — de dikwijls ongemotiveerde verkleefdheid tusschen getrouwde menschen?" Hij kijkt