is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terughoudend. En Pluim trekt zich aarzelend terug, hij verwacht nog een opdracht — er komt niets. „Vanmiddag nog maar 's zien?", prevelt hij. Taco knikt, het kan ook een groet zijn. Hij luistert — hij spiedt telkens de straat in. Van kregelheid pinkt hij ineens. Cato Meertens komt nu pas de stoep van het Bureau af. In de straat loopt ze ook nog maar weifelend voort. „Wat heeft die vrouw toch, je zou er heel wat van denken — nee, ze is immers oer-degelijk?"

Jozefien legt ook nog gauw haar werk op zijn tafel. „Heb het juist af. Kan ik . . .?" „Ja", zegt hij wat plomp. Ze mompelt iets ... In haar oogen is weer dat katachtige geblikker. Buiten drukt ze haar mutsje nog op, éen arm heeft ze nog maar in de mouwen van haar blauwe duffeltje gewerkt. Ze holt dwars door het personeel van „De drie Meren" op Jurgen Rupke toe.

Taco staat een beetje achteraf bij het raam, en kijkt „zijn" menschen na. Ze loopen of ze een stad innemen, zoo manhaftig en gehaast. Hun stappen klossen krachtig door de stilte van de Prinsenstraat. Ze praten druk. Ze hebben werk — werk en honger. Ze beuren nog hun weekloon. Voorop gaat Gisolf, de oudste machinezetter, een magere grauwe kerel met vinnige baardstoppels. Die wordt op de voet gevolgd door een stuk of wat jongere typografen, nietige ventjes om zoo te zien, naoorlogsventjes min of meer . . . Gutteling, de smoutzetter, stapt achter ze aan als de reus met de zevenmijlslaarzen. Dan komen de drukkers Bask en Mosik. Maar Wirschkul, de boekhouder, loopt alleen, hij is bleek, draagt een bolhoedj e, een lange j as, een hooge witte boord en handschoenen — hij is een heer. Pluim probeert hem