is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„dag! Goeienmorgen! Je bent vroeg!" Anne-Cris trekt haar oogen klein, trekt haar oogen lief-klein, dat is haar aparte groet voor hem. Cobie Savrij zegt: „De machtige vorst is weergekeerd in zijn domeinen." De jongens schateren: „Ha, vorst! Hoor 's, vorst!" Taco zegt goedmoedig: „'Morgen allemaal." Hij schuift bij aan tafel. En dan eten ze en zeggen zoo 's wat. Er is niets — niéts bepaalds. Anne-Cris en Cobie Savrij zitten naast elkaar aan tafeJ. En zij kijken elkaar alleen maar min of meer beteekenisvol aan, zoo van tijd tot tijd. Ze lachen om het doen en laten van de jongens en dan lachen ze ook nog om iets anders, iets dat zij samen alleen weten, iets zeer heimelijks. Maar er is niets — niets feitelijks, niets concreets. Anne-Cris bedient hem. „Hier nog wat van?, hier — dit?" Ze stoot tegen Cobie aan en Cobie stoot zoetjes terug. Ze kijken verstolen naar elkaar zonder te pinken. Hun oogleden worden alleen maar wat langer. Een vrouw kan soms veel met haar oogleden doen. Als Taco snel bukt om zijn servet op te rapen, ziet hij dat Cobie's linkervoet op Anne-Cris' rechter voet rust. En dan is er een prikkelig heet gevoel achter de bijeen-getrokken huid van zijn voorhoofd. Cobie kijkt naar zijn voorhoofd, en ze is kinderachtig vroolijk. „Vorst, nog een portie kerrie?, een tarwesneetje, mijn vorst?" Taco trekt zijn neus op. En dat kleineerende antwoord mishaagt Cobie Savrij. „Jij bent bijna net zoo geestig als die chef van mij, die Schifferlein — vorst. Zoo'n onderhoudend gesprek met jou verfrischt mijn geest, herstelt mijn geestelijk evenwicht! Dat fleurige werk bij de belastingen vlot dan weer zoo goed." AnneCris lacht als argeloos. „Ja, die Schifferlein — mooie