is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BARMHARTIG glijdt de kleine omzichtige bries voorbij en de boomkruinen ruischen behoedzaam. Deze schemeravond is bijna te luw voor de tijd van het jaar. Op de berm bij de stadspoort spelen de schoolkinderen of het nog zomer is en in het Reiferpark en op de groene vestingwallen hangt ineens weer een reuk van aarde en gras, van vochtigheid en tamme groeikracht, een reuk die wat murws heeft, iets dat verteedert. Taco kijkt naar de lantaarnlichten die een ronde glans op de straatsteenen leggen en hij glimlacht bij zichzelf. Er komen allerlei kleine herinneringen aan vroeger in hem op . . . Het kan wezen dat Wedzieg daar gaat en het is mogelijk dat Cato Meertens ergens op een straathoek staat — hij is er niet zeker van. Hij luistert naar het ruischen van een boom, zooals hij er als kind naar luisterde. En Tjark praat met hem . . . En Vader komt uit zijn werkplaats met zijn bril op zijn voorhoofd geschoven, en Moeder steekt de lamp aan, een kleine blauwe olielamp met een glazen ballon. En ze bidden voor hun avondbrood. Hij glimlacht — glimlacht . . .

En de straten rond-om hem worden grijs en moe — nu komt de nacht! De straten zullen inslapen, dof en uitgeput, en morgen-vroeg zullen ze glinsterend wakker worden, wit en frisch, ijzel aan de boomen, rijm aan de ruige steenen. Maar voor het zoover is, gebeurt er nog veel!

De kleine kinderen gaan al te-bed en de oue vrouwtjes doen hun deuren al dicht. En de opgeschoten meisjes en jongens ontmoeten elkaar hier en daar aan een heg, en aan het poortje van een achtertuin — het wordt tijd voor de liefde. Taco kijkt maar met een vage blik om