is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een peppel. „Ik moet toch ook met Crijna praten, het kan zoo niet blijven hangen, nee dat kan toch niet... ?" Hij strijkt met zijn hand langs de schors van de peppel en hij streelt die gegroefde stam zoo voorzichtig of hij zijn Moeder streelt. Maar hij ziét Crijna Boetzaarde daarbij, en hij ziet Crijna's afgelegen huis aan dat eenzame pad naar Ballering. En het is dan of hij met iemand over haar praat, iemand die met afgewende oogen toeluistert. „In Januari staan daar al sneeuwklokjes onder de boomen. En het blokkenvuur in de haard is er zoo heerlijk. Crijna het altijd de luiken van haar ramen openstaan, dat was om de weg aan te geven in het donker . . . Zij is toch een beschaafde vrouw, het is zonderling dat ze soms zelf houthakt, en dat ze elke dag zelf een brood bakt, zoo'n klein rond brood net genoeg voor haarzelf en een toevallige gast. Nu zal ze binnenkort ook weer haar tuin omspitten ... Ze heeft hulp — ze doet het graag zelf. De bloembedden voor haar huis, die ruiken zoo sterk — viooltjes, reseda en muurbloemen . . ." Hij weet dat alles nog heel goed — hij weet het tè goed. De kleine blauw-gele bloem-gezichtjes van de viooltjes zou hij kunnen uitteekenen . . .

Er gaan een paar menschen voorbij, twee jonge menschen. Ze doen hem aan de Koningskinderen van Thijs Maris denken. „Zoo liep ik vroeger met Anne-Cris, ze boog haar hoofd naar me toe, vaak droeg ze een bloem. Er zong een nachtegaal. En we stonden stil . . . Op elke plek hier ben ik met Anne-Cris geweest. Onder deze peppel zaten we ook. Ze lei haar hoofd op mijn knieën. „Ik hou zoo van je, Anne-Cris." „Ja", zei ze, „en ik dan — ik dan?" En jaren later zaten we hier weer. „Ik hou

Bruggenbouwers — 6