is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

portret van Boetzaarde en verstrakt. „Als we — als je toetreedt tot Oxford — ja ik ... ik ben nog niet zoover, maar dan moet dat voor zoover het in je macht ligt, ook terechtkomen. En dan moet je aan iemand uit de groep je fouten durven zeggen." Hij leunt zwaar tegen haar stoel aan. „Ook als je er het leven van een ander aan waagt, Crijna?" Hij ziet haar blanke nek van dichtbij, het glanzende rood-bruine haar, de zachte ronding van haar wangen. En hij legt zijn handen opnieuw om haar heen. „Ik moet haar terug winnen", denkt hij. Streelend omvat hij haar armen. „Al dat gepraat . . .! We zijn — zijn niks aardig meer voor elkaar, wel?, hoe komt dat toch? We moesten maar weer erg goed op elkaar worden, niet Crijna?, en zoo gauw mogelijk, zeg . . .?" Even is er iets in zijn stem dat haar aandacht vasthoudt, dat haar doet luisteren. Ze glimlacht een oogenblik, dan verstart ze — wat valt haar toch in?, afwerend staat ze op. „Ik — ik hoop je niet in moeilijkheden te brengen, Taco Solwerda, ik denk niet dat dat hoeft." Ze doorziet hem. Hij wordt warm en pinkt. Maar hij zou haar immers graag kussen . . .? „Ik dacht aan . . ." Ze remt dat met een klein handgebaar. „Ik geloof dat het nu je tijd wordt, Solwerda." Ze gaat al voor hem uit. Ze draait het licht al aan in de gang. „Kind", mompelt hij, „Crijna . . .?" Ze is hoorende doof. Haar blik glipt doelloos over de witte gangmuur, het licht ... Wat verbluft trekt hij zijn jas aan. „Waarom ben je nu zóo?" Ze slaat er geen acht op, ze wil de buitendeur al openen. Maar hij loopt vlug langs haar heen en houdt zijn hand op het slot. „Je laat me zoo niet weggaan." Zijn oogen worden donkerder en dringen ergens op aan. En Crijna schijnt