is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zit op een zomeravond bij Crijna. De kleine dagmeid is weg, die kleine dagmeid gaat altijd weg in de schemer en ze komt eerst 's morgens terug. Crijna zet haar versche ronde tarwebrood in de muurkast, en schenkt zorgvuldig de koffie in. De donker-roode rozen die hij voor haar meegebracht heeft, staan in een bruinaarden kan. Die rozen geuren sterk en er is een zacht zomerig gesuis in de linden achter de vensterluiken. Hij kan Anne-Cris een oogenblik vergeten, Anne-Cris haar prikkelbaarheid, en dat eentonige vreemde geneurie van Anne-Cris. Crijna heeft stevige handen, sterke welverzorgde handen en ze bloost vaak. Hij moet er naar kijken, er brandt maar een kleine lamp, hij ziet hoe ze bloost, hij ziet ook dat ze aandachtige oogen heeft. Ze praten nog maar terloops over Boetzaarde, over zijn plotseling heengaan. Schuw zegt Crijna: „Het is of de stilte mij grijs maakt, Solwerda. En in de stad kan ik het toch ook niet harden."

Ineens is het herfst. Bladeren ritselen langs de vensterluiken. Voor het eerst vlamt er weer een blokkenvuur in Crijna's huiskamer. Ze schemeren, er branden enkele kaarsen, schaduwen trillen op de wand. Het portret van Boetzaarde hindert hem niet. Hij praat over Onno Krabbeel, hij heeft weer 's iets met Onno Krabbeel gehad. Hij is opgewonden. En Crijna luistert met open mond. En Crijna's gezicht gloeit van ergernis. „Wat een ellendeling", zegt Crijna, „die Onno." Ze kent hem niet — kent hem niet eens! Maar alles glanst dan weer zoo in die kamer, alles is daar dan weer zoo goed, het houtvuur, een gonzende waterketel, Crijna's aandachtig gezicht. Een tijdlang hoeft hij niet aan Anne-Cris te den-