is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken, aan Anne-Cris haar nerveuze onwil, elke nacht opnieuw.

Plotseling is het winter. Het sneeuwt en geen enkel geluid dringt nog van buiten-af tot Crijna's huiskamer door. Er liggen sparre-appels in het groote houtvuur. En Crijna maakt kruidenwijn klaar en ze zwijgt — omdat hij zwijgt. Dit is een goede eenzaamheid, een heerlijke eenzaamheid. Hij is moe geweest, nu rust hij uit. Hij kan Anne-Cris vergeten, een avond lang.

Maar zóo is het niet altijd. Hij zit daar ook op een andere keer ... Er is verdriet geweest — nee, dat verdriet is er nog altijd. Maar het wordt lichter. Het is makkelijker te dragen, het verdriet is niet meer als een kei op zijn hart gebonden. Hij ziet Crijna Boetzaarde's blank gezicht, haar diepe oogen, haar ronde witte hals. En hij kan glimlachen, hij kan zacht voor zich uit fluiten. Maar het portret wordt nu te opdringerig, hij heeft er nu eerst erg in. Het gezicht wordt grauwer in de avondschaduw, de oogen dreigender. Hij zegt bij zichzelf: „Ik was je vriend niet, Boetzaarde, ik was niet eens je vriend, ik was maar zoo'n oppervlakkige kennis. ' En dan wordt hij toch ook weer melancholiek. „Ik kan je niet alles zeggen, Crijna, niet alles, het leven is ontzettend moeilijk, soms raakt alles in de war, tot de laatste draad toe." Ze zit stil naast hem. Nu is zij óok treurig gestemd, weemoedig om zijn weemoed, droefgeestig om zijn droefheid. Hij ziet het terloops. Hij denkt: „Wat is er dan met Anne-Cris dat ze me telkens afweert? Ze is toch een gezonde jonge vrouw? Ze heeft toch geen enkel organisch gebrek? De heele dag zingt ze, de kinderen zijn rustig, ze neuriet onophoudelijk.