is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ramen van zijn huis, naar de deur. En dan verstramt er iets in zijn haast. De voordeur van zijn huis wordt wijd opengegooid, Weigel komt naar buiten, en Weigel is kwaad, hij slaat de deur weer hard achter zich dicht, en zijn bidprentjes-gezicht is vuurrood. Hij is maar gauw in zijn jas geschoten, die jas hangt wijd om hem heen ... Hij ziet Taco en er verscherpt niets in zijn gezicht, elke lijn wordt nog ronder. Weigel is een man, die glimlacht als hij boos is. Hij blijft even staan in het voorbijgaan. „Ook goeiendag", zegt hij met zijn lijzigste lach-stem, „ik geloof dat je nu net bijtijds thuis komt. Taco." Hij knipoogt wrang, hij maakt een geheimzinnig gebaar en loopt al weer door. Taco zegt: „Een telefoongesprek — zonder telefoon, niet Altenstadt? Hij let al niet meer op de man. Hij komt thuis. De jongens zitten in de huiskamer bij de haard en bladeren in L'Illustration en in de Illustrirte Zeitung uit de leesportefeuille. „Vader, kijk dat bloote meisje s , zegt Thieu, „mooie beenen, nietwaar?" Hij aapt Weigel Altenstadt na, hij leunt ook zoo lui achterover in de crapaud, strijkt ook zoo over zijn haar, glimlacht ook zoo. Taco doet maar of hij er niet op let. Zoekend tuurt hij rond in de kamer en hij luistert stiekem naar een geluid in huis. Van terzij neemt Us hem op. „Moeder is met Cobus Savrij op haar kamer — ik denk niet dat je er bij mag. Weigel is ook maar weer weggegaan, die moest zoo lang wachten." Taco gaat toch maar naar boven en klopt aan. „Drinken we hier thee?", hij draait de deurknop al om, de deur is op slot. Hij luistert scherp: een onderdrukt gegichel dringt tot hem door, een haastig gefluister. „Kunnen je hier niet hebben", zegt Anne-Cris