is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen twee lachbuien in, „we passen onze nieuwe pyama's." „Stakkerd", teemt Savrij er achter aan, „vat geen kou daarbuiten. En als je zoo-iets lamlendigs als thee wilt hebben, vraag dan aan Catrientje." De jongens staan belangstellend bij de trapleuning, twee nette ventjes, geplakt blauw-zwart haar met rechte scheiding, smalle gezichtjes, oogen waarin iets grootemenschachtigs prikt. Us doet Altenstadt weer na. „Jij gelooft ook niet gauw wat . . . Wij mochten niet eens. Ik zei het toch al!" Taco doet maar of hij het niet hoort. Hij gaat naar zijn werkkamer, neemt postpapier uit een kastla en gaat aan zijn schrijftafel zitten. „Dan maar wat correspondentie afdoen." Uit de binnenzak van zijn jas haalt hij een paar brieven, een gewichtig schrijven van Gelrip, de nieuwe notaris te Vroonshoven, een omslachtig epistel van de zieke correspondent uit Born . . . Hij bezint zich op een antwoord. Maar zijn aandacht dwaalt telkens af. Hij teekent een figuurtje op zijn vloeiblad. „Wat voor datum . . .?" Hij vergeet te kijken. Hij luistert enkel maar. Anne-Cris en Cobie zijn nu vlakbij: er kraakt iets boven het plafond, er wordt gemompeld — daar is Cobie's fleemende stem weer, een lachje glijdt er over heen — een saamhoorig gegichel.

Vijf minuten later loopt Taco weer buiten. „Wat borrelen aan de leestafel?" Mistroostig slentert hij door de klamme grauwe December-schemer. „Thieu zei: Cobüs. Wat denken de jongens . . .?" Zonder aandacht kijkt hij de straten in, de winkels . . . Alleen bij Wedzieg, in de Oude Schans, staat hij even stil. Daar ligt Oxfordlectuur. Een paar boekjes van Grensted, hoogleeraar in de godsdienst-philosophie aan Oriel College te