is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Man, het gevaar bedreigt je aan alle kanten. Idioot is dat alles, precies of er een soort van vischnet over de stad gegooid is en de eene mensch-visch na de andere spartelt in de mazen. Hoe moet dat nou gaan . . . ?"

Hij slentert ook weer over het Oelerplein. En daar ruikt het nog altijd naar dennetjes en winterappelen en aarde en vocht en frischheid. En nu komt er opnieuw een gedachte aan een boomgaard te Motz in hem op. „Ja", denkt hij zonder overgang, „en ik zou immers 's naar Moeder toe?" Maar dan heeft hij opeens een oud gezicht vol groeven. „En wat dan nog?, bij Moeder? We praten immers toch nooit met elkaar! We kletsen maar wat over dingen die er niet op aan komen. We zeggen: koud hè? En ben je te voet? En blijf je eten?, want dat moet de huishoudster weten ... Nee, ik zal wat fruit sturen. Ik zal schrijven dat ik het nu erg druk heb, maar dat ik na Nieuwjaar wel 's aankom." Hij laat dat vrij gemakkelijk los. En hij denkt: „Anne-Cris — Savrij . . ." En dan loopt hij waar de avond het donkerst is.

— De dingen kunnen toch altijd weer een ander aanzien krijgen. De Prinsenstraat koud en winderig? Welnee! Wat was er toch altijd voor akeligs met het politiebureau? Taco grinnikt haast. „Tja . . . Jij kijkt vaak door een zwarte bril...!" Hij fluit ook een beetje. Jozefien Yelting zet een pot met kamillebloempjes bij hem neer: licht-groene kruidig-geurende blaadjes, naïeve madelief-achtige bloempjes. Hij kijkt op. „Zijn die er nog?" Hij ontmoet haar blik. Iets lichts blijft hem bij . . . Vlug schiet hij met zijn werk op, vandaag. „Moe?, nee heelemaal niet . . Opnieuw kijkt hij de