is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bruggenbouwerij, potdome." Deze keer verlucht het hem niet. En nu krijscht dat radio-kwartet opeens. Heeft hij zoo pas werkelijk gedacht dat er wat vroolijks was in het slaan van de klok?, er is iets geniepigs in, iets dat zich boosaardig verkneukelt. Ja, wie komt er aanstonds als hij weg is? En Us en Thieu trekken toch ook beroerde gezichten. Us en Thieu kijken als kinderen die al heel wat gehoord en gezien hebben. Ze werpen elkaar tersluiks een blik toe, met buitensporig-verdraaide oogen en een hevig-bijeen-geknepen mond. Ze doen of ze aan een denkbeeldige boord voelen en of hun das te nauw aangehaald is — ze apen hem na. En die eetkamer is toch maar een benauwd klein hok, te weinig geventileerd. Als Taco opstaat, oogt hij vluchtig op Anne-Cris neer. En ze zit daar nog altijd met dat stille glanzende heilige-gezicht. „Nee", ziet hij in, „ze weet niets nog niet . . . Maar wat gaat er toch in zoo'n vrouw om?" Op straat loopt hij zichzelf uit te foeteren. „Je laat alles veel te veel op zijn beloop, een oue suffe vent word je. Je had al lang weer een bezoek moeten afsteken bij Crijna, de dag er op al ... Je moet aanhouden. En je moet ook naar Cato toe, en naar de Kerlings en naar die lamme Krabbeels. Je moet overal 's poolshoogte nemen."

's Avonds zit hij bij notaris Kerlings en praat over de angst-psychose in deze tijd. Maar Kerlings glimlacht afwerend. De notaris is hier een heel andere mijnheer Kerlings dan aan de bittertafel. Hij legt de vinger op de mond en wijst met de oogen naar zijn vrouw en fronst zoo'n beetje vermanend. „Och ja — ja . . .! Hier — een sigaar?, een lichte?, een tusschensoortje? Marion moet