is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dringend . . . „Ik zou hier willen blijven", zegt hij bij zichzelf, „in de nok van het huis desnoods, op zoo'n erg wit bed — en alleen." Hij moet toch wel weg oplaatst. Bij de voordeur zegt Crijna: „Wat is er dan?", en dat vraagt ze, zooals een Moeder het vragen zou. Hij leunt nog even met zijn hoofd tegen de deurpost aan en sluit zijn oogen. „Als je ooit over dat-van-ons praat met — een ander, en over alles wat je oppikt, daar in de Schillerstraat, dan ga ik er aan. Hier — die Grensted noemt het deelen, is het niet?, sharing —nou dan ga ik kapot." Ze staat achter hem en ze legt haar hand op zijn schouder. „Taco, ik wil niet dat je — nog érger kapot gaat, dat is het juist, een heel mensch moet je wezen. Ik hoop dat mettertijd zelf ook te worden." Dat antwoord ergert hem. Hij zint op een weerlegging. Maar elke gedachte schijnt nu telkens weer als een kleine rookwolk weg te zweven. Ze geven elkaar een hand. Tweemaal neemt hij zijn hoed voor haar af. „Ik lijk Kaatin wel , denkt hij. Hij glimlacht armtierig. En ze komt hem nog achterna. „Taco!" Hij blijft staan. En daar is ze. „Wat was er toch voor ergs dat je zoo gauw weer bij me kwam?" „Twee schaduwen", denkt hij. Maar hij schudt zijn hoofd. „Ik kan het niet zeggen, Crijna, ik kan niet..." Ze troost hem toch ook weer. „Maar — zeggen, dat is ook moeilijk, zeggen waar het op aankomt, nou! Daar zitten we allemaal mee. Ons vertrouwen is ook verdord. Toen we kinderen waren, wat vertrouwden we toen, hè?, maar — het verlepte ... en dood is het toch niet. Tot ziens, Taco, kom zoo vaak als het noodig is." Ze laat de buitendeur openstaan. Lang — lang is het witte licht van de ganglantaarn te zien en het kleine silhouet