is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

èlkaar . . Hij dacht toen: „De hemel is er wel, als je maar teruggaat naar de natuur." Dat was jeugd. Nu denkt hij: „Nee, terug naar de natuur?, dan ben je een boer: knollen, aardappels, peen — een dekstier." Dat is ouderdom.

Hij is de groenmarkt al gepasseerd: hij heeft een schotel met boonen gezien, een tros lampionplanten, twee verkleumde handen . . . Hij zit op zijn Bureau, nog altijd ligt daar een stapeltje kranten. Hij slaat de groote bladen open en leest — en vergeet dat hij leest. Rustig zegt Anne-Cris in de verte: „Was je niet thuis vannacht? Het was dunkt me al ochtend toen je naar bed ging?" Geen spoor van verwijt, van onrust. Ze zegt dat op een luchtige toon. Op dezelfde toon zegt ze: „Wil je geen honing? En zijn mijn anemonen niet mooi?" Daar moet hij toch niet over nadenken, nu. Dan komt die vraag telkens terug, dan begint die vraag van Anne-Cris te schreeuwen, te gillen . . . „Was je niet thuis vannacht? Was je niet thuis vannacht?" Met een hard fladder-geluid slaat hij een blad van de courant om. „Ik moet toch knippen?" Hij kijkt naar zijn schaar om, dat ontgaat hem weer. Jurgen Rupke zegt iets tegen Jozefien Yelting. „Dat moet je zóo niet doen", zegt Jurgen, „maar zóo . . Met enkele woorden legt hij haar iets uit, kortaf, uit de hoogte. Zoo praat een chef tegen een ondergeschikte. „Waar zijn ze ook weer mee bezig?", denkt Taco. Hij fronst, hij keert zich niet om. Afgetrokken tuurt hij in zijn courant, afgetrokken luistert hij naar de vertegenwoordiger van een papierfabriek uit Noorberg. „Ja, zeker, zeker", knikt hij. Als die man vertrokken is, kan hij zich niet meer herinneren, hoe hij er