is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemde namen. Ik kreeg de indruk . . . een soort speelhol, hazard." Dasselaar staat er met open mond bij. „Maar . . .?, maar . . .?, geloof je dat?, hazard?, och kom?, gelooft — de politie dat ook . . .? Zoo'n grijs portlandhuis, zeg je?, ik kan me dat huis niet eens goed voorstellen?" Hij vangt Taco's blik op, en wordt een beetje schichtig en zwijgt. En Taco komt een stap dichterbij. Er is hem opeens iets te binnen geschoten: „Dasselaar die deed nou zoo onnoozel, maar dié kwam daar wel — op een avond ... en hij deed schuw." Even weifelt hij. „Het haalt immers niks uit." En dan doet hij toch nog de eene vraag na de andere. „Kun jij je dat huis niet voorstellen, Dasselaar?, herinner jij je niks van dat huis?, weet jij er werkelijk niets van af? Er staat mij iets van voor . . . dat jij op een avond ... je had deze jas aan ... die zelfde lange grijze jas — dat jij daar naar binnen ging." „Och wat", mompelt Krabbeel, „dat noem ik een insinuatie . . ." En Dasselaar zegt met een dunne beklemde stem: „Ik — Taco?, ik?, uitgesloten hoor!, uitgesloten, nee, dat moet dan een misverstand zijn." Taco knikt langdurig tegen hem. En dan wendt hij zich om naar Krabbeel. „De naam alstublieft van die — mijnheer die u opgebeld heeft?" Krabbeel staat hem aan te gapen. „Je hebt niet het recht . . ." Voor de rest heeft Taco geen tijd. „Ik heb dat recht wel, u verdenkt me ergens van, naar aanleiding van iemand die u opgebeld heeft — wie is het?" Krabbeel staat niet meer zoo recht-op. „Zijn naam kan ik je niet zeggen, Solwerda." „U wilt zijn naam niet zeggen", valt Taco uit, „u durft niet!" Krabbeel praat nog zachter. „Ik kan het niet, Solwerda. Maar waarvoor

141