is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook?, wat wou je daar mee . . .?, naar hem toe gaan?" Nadenkend kijkt Taco op hem neer. „De man die u opbelde — die heeft zijn naam niet gezegd, hè?" Krabbeel doet of hij daar niet op in wil gaan. Hij keert zich wat af. . . Dan bedenkt hij zich ook weer. „N-ja, hij wou dat liever niet, wou niet in moeilijkheden komen." Taco glimlacht met een nijdige mond. „En daar gaat u op in — een anonymus . . . En u vindt dat aannemelijk genoeg om aan mij te twijfelen." Hij kijkt nog even van Krabbeel naar Dasselaar. En hij gaat plotseling bij hen vandaan. „Goeienavond — héeren." Hij loopt vlug door. Maar zijn beenen wegen zwaar en zijn hart klopt stootend. „Altenstadt is het", stelt hij vast, „Altenstadt die laat dat hufter van Bos ook spionneeren op het kantoor, natuurlijk — zóo is het." Zijn gedachten gaan als schreeuwend door hem heen. „Altenstadt die belt mij immers telkens op, met een verdraaide stem? Altenstadt die belt Krabbeel ook op. Wat wil die verdommeling?, wil die ellendeling me onmogelijk maken in de stad . . .?" Hij spert zijn mond open of hij lacht, hij lacht toch niet. Werktuiglijk loopt hij naar zijn Bureau . . . Maar op de stoep keert hij terug. Hij gaat naar huis toe. „Werken?", hij schudt verbolgen zijn hoofd. Hij tintelt van nijd, het flikkert voor zijn oogen, het is of hij duizelig van nijd wordt. „Die Weigel — als nou die Weigel bij Anne-Cris zit . . . Ze denken er niet aan, dat ik ook wel 's wat eerder thuis kan komen. Ik kom immers nooit meer bijtijds thuis? Misschien tref ik Weigel aan — misschien niet, misschien is er nou juist geen bezoek . . ."

Maar er is wel bezoek — thuis. Weigel en Savrij zijn