is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sehr schön", zegt ze slepend. Maar Cobie doet of ze niets gehoord heeft. En Taco zit daar of hij wacht, en hij gluurt, en hij mompelt: „Ach — so?" Het slaat nergens op, maar dat lijkt hij niet te merken en niemand schijnt daar ook acht op te slaan. „Te moe om veel te praten, nietwaar?", Weigel strekt zich bijna recht uit in die twee armstoelen, „ja, wat heb ik dan toch als inspecteur van die verzekeringsmaatschappij een lieve werkkring, zoo'n echt lieve werkkring, wat je noemt: liéf. Want de zware — zware arbeid aan zoo'n bloeiende krant die temet een dagblad is, dat moet toch een heel ding wezen." Er is ijs en wijn in de fruitcobler die voor hem staat, hij haalt er op zijn gemak de laatste kers uit en een halve olijf, en dan drinkt hij met lange teugen . . . Taco kijkt er dorstig op toe, hij bevochtigt telkens zijn lippen en zijn oogen worden al-kleiner, zijn oogen lijken op rimpelige lidteekens — lidteekens die nog niet heelemaal dicht gegroeid zijn. „Het éenigste, maar dan ook het éenigste goeie dat je daar hebt", zegt Weigel dan weer, „is die aardige mollige Juffrouw Bos en dat slanke Jozefientje, wat een piek-fijn meisje is dat, hè?, en dan die gevoelige goeiige mijnheer Krabbeel — Krabbeel lijkt me een geweldige steun voor iemand, die niet al te vast in zijn schoenen staat." Cobie gaapt telkens overluid, Anne-Cris lacht telkens. „Ach wie hübsch", prevelt Anne-Cris. En Taco drukt met een langzame onbeholpen beweging zijn hand op zijn linkerzij, de klop van zijn hart dréunt door hem heen. Maar hij zit daar toch met een onbewogen gezicht en hij zegt ook met een vlakke onbewogen stem: „Ja, Juffrouw Bos, hoe die is, dat kun jij weten, Altenstadt, nu jij 's avonds laat wel