is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zenhoog opspat . . . Waarom dwepen we in onze literatuur toch altijd met die onwaarschijnlijk goedige lieve wijndrinkende pastoors?, zelfs in onze socialistische romans tieren ze welig, en waarom vinden we het zoo echt als de auteurs een dominee in de maling nemen?, en waaróm zijn dat altijd van die soffe zalvende beroerlingen van dominees? Is dat misschien allemaal omdat we protestantsch zijn?, de — extase van ons godsdienstig besef?, h'm."

Hij komt de kamer in — thuis. Er staat een mooie bokaal van cristal-de-roche op de console bij de deur. En Savrij en Altenstadt zijn er ook weer en ze kaarten. Weigel zegt schelmsch-hartelijk: „Broeder, kom in." Anne-Cris schudt neuriënd de kaarten. Ineens zingt ze schei-luid. „Nu sijt wellecome . . en het is of er zelfs een spottende trek in haar nieuwe maïskleurige jurk ligt. Cobie wijst met haar duim naar de leege crapaud naast haar. Ze heeft een beetje vriendschap voor hem opgevat na die „bokaaP'-avond. „We doen rummy", zegt ze uitnoodigend. Maar hij bedankt. „Merci". Hij gaat naar de werkkamer, sluit zich daar op en drinkt. „Die — bokaal . . ."

's Nachts kijkt hij weer naar Anne-Cris' warm slapend gezicht, haar glanzende oogleden, haar volle bovenlip, de tengere hals, de deinende borsten. En hij maakt haar wakker. „Och toe — Anne-Cris?" Hij vraagt met die paar woorden meer — dan hij vraagt. Maar daar wil ze geen erg in hebben. Ze kijkt op. Ze is zoo klaar wakker ineens, of ze heelemaal niet geslapen heeft. Beleefd slaat ze het dek terug . . . Hij houdt haar in zijn armen en — hij heeft haar niet. Ze kijkt met ontwijkende