is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan Krabbeel valt hem ook iets op. „Wat is er met dié?", denkt hij. En hij is verwonderd en dat is niet een verwondering voor éen keer. Krabbeel zit als een vreemde, een vreemdeling, tusschen zijn eigen ronde zwaarwichtige meubels in. En hij laat Annette maar praten. Niet éen keer probeert hij aan het woord te komen. „Wat dunkt u", vorscht Taco, „zou Oxford iets voor de Nieuwe-geluiden-serie in „De drie Meren" zijn? Heinz dacht het." Krabbeel zegt: „Och — jongen, dat moet je voor je zelf maar uitmaken. Het is mij best — alles." Hij maakt een gebaar of hij iets los laat, iets vallen laat. Het is een gebaar van moeizame berusting. „Is u ook bij Oxford?", vraagt Taco. En Krabbeel glimlacht vreemd. „Ik?, nee — jongen, née, vind je me zoo Christelijk ineens?"

Ze zitten ook bij Dasselaar. En Dasselaar's tanden glinsteren bijterig. En Dasselaar zegt: „Als je vrouw bij die Oxford-beweging is, man, dan ben je geen oogenblik zeker van je leven, geen oogenblik „safe", tenzij je een vlekkeloos verleden hebt, zooals jij en ik. „Of", vult Anne-Cris rustig aan, „tenzij je vrouw ook iets op haar kerfstok heeft." Yokeltje stapt zwaar af en aan. Haar gezicht is beeniger. Ze zwijgt. Er is wat dreigends in dat zwijgen. En Anne-Cris kijkt glimlachend naar een reproductie van Jeroen Bosch, „De verloren zoon". Er is niet zooveel van te zien op die afstand, ze kijkt er toch gedurig naar, ze glimlacht tegen „De verloren zoon", en dat is een ondoorgrondelijke glimlach. „Wat is er toch?", denkt Taco heftig, „is er dan wat?"

Ze zijn ook weer thuis. En ze zitten aan de warme maaltijd. En hij probeert een gesprek te voeren met