is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voetzolen — zijn hoofd is helder, hij zou nog uren lang kunnen werken . . . Zijn oogen zoeken Anne-Cris' glimlach weer, die droom-lach. Nu komen er ook herinneringen — herinneringen als plaatjes uit een prentenboek, zoo zoet en kleurig en naïef, zon, lentegroen, kersebloesem, kleine bruine huizen, warme boogbruggetjes. een diep blauw water met glanzende bootjes: la petite Venise. Hand in hand loopen ze daar ergens buiten Colmar — een helling met appelboomen, een weitje met dikke feestelijke paardebloemen, en zoo'n hooge stralende lucht en alles is nieuw. „Taco, dacht jij — dat een huwelijksreis zoo mooi was?" De eerste maaltijd in huis: de geur van het gebraden vleesch, zomerwind in het open raam, zomerbloemen overal, rozen, ranonkels, lathyrus, en vlakbij de liefheid van Anne-Cris haar blik, haar oogopslag. „Ons geluk moeten we heel houen, Taco." Het kind in de wieg, het eerste kind, Thieu met zijn ronde bol en zijn zachte wangetjes en daarbij: de Moederlijke en meisjesachtige Anne-Cris, stil, zonder woorden, glanzend, een Madonna-achtige Anne-Cris, tenger, rein, een kind met lange vlechten. Het kan zijn dat ze bidt, terwijl ze haar kind zoogt, haar eersteling . . . Taco fronst tegen het onwaarschijnlijke van die herinneringen, en tegen de pijn die ze in hem openhalen . . . En waarom hoort hij nu ineens Crijna's hooge schrale dringende stem? „Ik heb een hart dat me liefhad gekrenkt. Ik heb een die bij mij bleef alleen gelaten, al ging ik niet weg." „Nee", verwerpt hij heftig, „zij heeft mij alleen gelaten, al bleef ze. Ben ik dan niet alleen . . .? Ik kan het immers haast niet meer harden . . ." Hij drukt zijn hoofd fel tegen de boven-wand