is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar toevallig 's zin in heb . . .?" Giftig-hard wrijft hij zijn schedel weer tegen die achterwand aan. „Och god, nooit hebben we gezegd waar het op aan kwam, we zijn beleefd geweest, verdomme — ja — beleefd en soms — vriendelijk, en altijd — inschikkelijk en dikwijls beroerd en verdomd-beroerd ook, en we hebben nooit gezegd, waar het op aan kwam, en ik wil praten — ik wil praten . . .! Ik wil nou dadelijk praten, ik wil niet meer wachten, ik wil me niet meer laten afschepen, ik ben een idioot geweest — ik laat me niet meer met een kluitje in het riet sturen." Hij buigt zich opnieuw naar haar toe. Zijn adem blaast over haar gezicht. Ze slaapt, glimlacht, droomt. „Anne-Cris", fluistert hij. Maar ze slaapt zóo vast — dat hoort ze niet. „Anne-Cris", zegt hij overluid, „Anne-Cris..." Haar wimpers bewegen, ze rekt zich uit, ze is haast wakker. „Anne-Cris!", hij legt zijn heete hand vast om haar koele gladde pols heen, „Anne-Cris!" Ze knippert, haar glimlach zakt weg, ze is wakker. Vragend kijkt ze naar hem op — verbaasd. Gedempt-heftig praat hij tegen haar: „Je moet naar me luisteren. Hoe kun je . . . kun jij nou maar alle nachten even rustig doorslapen?, terwijl het zóo met ons is?, terwijl het al-door zóo met ons is . . .? Hè?, zeg je nou wéér niks . . . ? Ik kan niet meer slapen — ik werk zoo slecht — dit maakt me gek! Wat is er toch met ons ...?, moet ik jouw mond dan openbreken? God-god, al die jaren . . . wat is er met ons, wat is er met jou? Ik weet immers minder van jou, dan van de menschen op mijn kantoor? Ik praat tegen jou, ik hèb tegen je gepraat, dan was het of ik het tegen de muur had. Hoe lang denk je hier nog mee door te gaan, met die hou-