is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding, met — alles?, hoe lang nog?" Anne-Cris wrijft met haar kin zacht langs de zijden boord van haar pyama-jasje. „Kun je niet slapen? Neem dan 's wat allonal in, een tot vier tabletten." Hij kijkt star. Hij zit daar een oogenblik of hij versteend is. Dan is het of hij haar slaan wil, of hij zich in woede op haar werpt. Het blijft bij een gebaar, een heftige beweging. „Wat zeg je?, wat zeg je nou? Ja, zoo heb je altijd gedaan — altijd zoo gedaan . . . Een grappig woordje — is het niet? Een knippen met je vingers. En dan is het uit — afgedaan! Dan praten we daar niet meer over, dan gaan we weer onze eigen weg, dan ga jij jouw weg — die weg van nou en ik de mijne, ik mag crepeeren, je zegt wat onzinnigs — ik mag doodvallen. En je maakt me er kapot mee, grondig kapot. Je vermoordt me met speldeprikken, jij. Waarom neem je geen mes? Neem een mes, en steek in me . . . En zeg dat ik zelfmoord gepleegd heb, dan is het uit. Dan kun je met Weigel Altenstadt trouwen!" Hij grijpt als een dolle man de achterwand beet van het ledikant en schudt er aan, en bonst er met zijn vuisten tegen. „Gek word ik nog! Gek! En ik ga liever dood dan nog langer zoo te leven. Wat is er toch tusschen ons?, wat is er toch? Zeg het me dan? Als je me niet uitstaan kan, zeg het me dan?" Ze plukt aan haar korte pyamamouwtjes. „Je werkt te lang", stelt ze vast, „je gaat veel te veel in je werk op en je slaapt te weinig. Je bent wat overspannen." Zijn woede wordt nog grooter. „Nee", roept hij fel, „niet waar, het is niet waar, daar gooi jij het maar op . . . Zoo heb jij altijd met mij gedaan. En ik kon er niet tegen op, kon er niet tegen op, het snoerde me de mond, het maakte me machteloos