is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

makelij is het . . . Stelselmatig heb je ze van mij vervreemd. Ze glimlachen nou al met jouw glimlach naar me. Ze minachten me al, met jouw minachting. Laat me dan maar alleen en lach en zeg: „Schön" en verf je lippen met een nieuwe kleur, toe dan maar, tóe dan maar, en laat me dan maar heelemaal alleen." Er glijdt wat koels over hem heen — haar hand. Ze strijkt zijn haar weg, strijkt altijd weer zijn haar weg, strijkt over zijn slapen, strijkt altijd weer over zijn slapen — het kalmeert hem zonderling, het doet hem goed, wat is er in haar vingertoppen? Wat is dat? Ze bet zijn tranen weg. Ze neemt een glas met water, onder de kleine lamp vandaan en laat hem drinken, laat hem het glas uitdrinken. „Kun je dan niet praten?", mompelt hij. Ze beweegt sussend haar hoofd, het is niet zoo zeer dat ze haar hoofd schudt, maar haar hoofd wiegelt licht heen en weer, het kan een kalmeerende beweging zijn, het kan ook zijn om een pijn te onderdrukken, haar schouders bewegen mee. „Wordt dan alles weer draaglijk?", soebat hij. Ze glimlacht ook sussend, legt sussend haar vinger op haar lippen. „Wordt dan alles een beetje schappelijk?", houdt hij aan. „Geef me wat tijd", fluistert ze. En ze streelt hem, streelt zoo als een Moeder streelt — een vrouw — een kind. Hij wordt slaperig. „Nou heeft ze me toch allonal gegeven", denkt hij, „en veel — véél . . . Stond dat klaar?" Hij voelt haar hand, die is ijskoud. Hij ziet haar gezicht, klein en tenger en met twee groote — groote oogen. Van tijd tot tijd denkt hij nog iets. „Ik heb verschrikkelijke dingen gezegd. Maar het was toch waar. Het is gevaarlijk om lang te zwijgen — ik was buiten mijzelf, morgen zal ik me dood-