is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stippellijn, Taco, van Mitske de zilversmid naar ons huis en van ons huis — naar Ballering." Het is een toespeling, een min of meer gedurfde toespeling. Taco keert zich snel van haar af. Hij voelt het kloppen van zijn bloed tot in zijn slapen. Gesmoord zegt hij: „Ja, zoo'n mispunt ben ik nou, dat mag je wel weten: ik had je graag hier willen houen na — vannacht, je bij me willen hebben, hier aan de haard in de huiskamer — om samen te praten." En het schiet meteen door hem heen: „Ik kan het immers ook niet velen dat ze daar ginder komt?" De stilte in de kamer glijdt als een kou op hem toe. Hij moet dan toch weer naar Anne-Cris omkijken. „Antwoordt ze niet?" En haar glimlach — die smalle, wat trotsche glimlach — is al een antwoord, met die glimlach zegt ze: „Ik laat me niet omkoopen. Hij ziet het — en hij wil het toch niet zien. „Het is wel erg gek, hè?, dat ik dat wou — na vannacht." Ontstemd neemt ze hem op. „Je bent bang, Taco." Perplex staat hij haar aan te staren: woedend, geschrokken, vernederd . . . En Anne-Cris wordt zelfbewuster. „Ja, dat is zoo, daar moet je dan toch tegen in gaan. Het is nergens goed voor, ellende voor niets . . ." Hij doet maar een enkele stap in haar richting. „En jij, ben jij dan zoo gerust . . .?" Daar antwoordt ze weer niet op. Ze stokt even, dat is alles. Nu praat ze verder. „Ik heb een hekel aan — aan angst, angst maakt laf en klein, angst maakt een vod van je." Ze zegt dat zoo fel of ze het regelrecht op hem gemunt heeft. Zelf voelt ze dat ook wel, haar blik-op-hem wil dat weer goed maken: een verwijtend-spijtige blik. „Het moet allemaal nog heel anders worden met ons, heel — heel anders."