is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het klinkt wat spottend, het klinkt ook of ze op een eigenaardige in zichzelf gekeerde manier, uiting geeft aan een verlangen.

Taco kijkt haar zijdelings na, als ze naar Crijna gaat die avond. „Dus ik moet je niet halen en brengen met het Fordje?" Ze loopt zoetjes voort in de gang zonder nog naar hem om te kijken. „Nee, we moeten contact zoeken met elkaar — onderweg . . Haar stem verijlt. De voordeur slaat achter haar dicht. Ze is weg. „Contact zoeken", echoot het in hem na. Er is een rare bedaarde woede in hem. „Maar dat ik hier alleen zit met mijn misère . . hij laat het maar los. „Wij weten van geen terugkeer", denkt hij, „de weg terug bestaat niet voor ons." Hij zit toch ook weer bij zijn vuur. Nu kan hij wel thuis blijven, nu gaat het wel. Hij stookt zijn vuur op en schilt een appel. Hij hoeft niet weg te gaan. „Maar ik moet werken." Hij legt zijn hand zoo zacht en aanhalig op de zitting van een stoel of het een vrouwe-schoot is, en hij blijft waar hij is. In zijn verbeelding ziet hij dat Anne-Cris naar dat groote portret van Bertrand Boetzaarde kijkt, daar bij Crijna, en naar een glanzend hoog-opgemaakt bed, achter een open deur. „Wat weet ze . . .?" Hij tuurt naar een Satzuma-aapje op een kast, een Shou-Hsing mannetje, een schotel met lotus-décor en vechtende luchtdraken. „Wat is me alles al vreemd hier." Op een hoek van de schoorsteenmantel ligt een wit kartonnetje, het steekt net over de rand heen. Hij kijkt wat dat is . . . Verwonderd trekt hij zijn voorhoofd op. Het is een foto van Anne-Cris met de jongens, een foto van jaren-terug: een moederlijke kinderlijke Anne-Cris, een paar kleine jongens, Thieu