is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kereltje van een jaar of anderhalf, Us een wiegekind. Het is toch ook een Anne-Cris met een mager vervallen meisjesgezicht, trieste oogen, ontgoochelde oogen, een eenigszins bijeengenepen mond, een mond of ze neuriet. Taco bekijkt het kiekje angstvallig-lang. Eindelijk legt hij het toch ook weer neer. Maar dan blijft hij nog een tijd lang strak voor zich uit turen, een diepe rimpel dwars over zijn voorhoofd. Van heel dichtbij hoort hij Crijna Boetzaarde's stem: „Ik heb een mensch pijn gedaan. Ik heb een hart dat me lief had zoo lief had, gekrenkt. Er was zoo'n mager vervallen gezicht vlak voor me . . ." Hij hoort die dunne ontroerde vrouwe-stem zoo duidelijk, dat hij er van omkijkt. Natuurlijk, hij is alleen. Maar nu komen al die oue gedachten weer terug. „Ja, en ik dan? En waarom was ze dan zoo?" Overluid zegt hij: „Het hangt me de keel uit tot zoover — ah tjasses!" Hij maakt een spuwgeluid. Dat kiekje op de schoorsteen keert hij om, de witte kant naar boven. „Is daar misschien expres neergelegd." Hij zit ook weer in zijn stoel bij het vuur, en hij weet het maar half. Hij rookt een pijp, hij heeft die pijp gestopt en aangestoken, hij weet het maar half. Hij kijkt naar de kerf die zijn tanden in het mondstuk van zijn pijp gebeten hebben, zoo in de loop van de tijd,

en hij weet het nauwelijks.

Wat later zet hij de radio aan. En die dwarse plooi in zijn voorhoofd trekt dieper door, bij het luisteren. „Vous êtes charmante — Jardin d'amour NieniNieni." Hij loopt er bij vandaan.

Hij zit op zijn werkkamer en schrijft een recensie op een boek van Körmendi. „Denk er om", zegt hij wrang