is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zei: „Man, ons huwelijk is een rozengaard." En Wedzieg zei: „Zelfs in de hof van Eden zat een slang. U heeft toch zeker wel 's een zonde gedaan?" Maar — een zónde, dat begrijp je . . . dat was Kerlings' eer te na. „Nee schoft", schreeuwde hij, „dat heb ik nooit. Je schaadt mij in mijn goede naam, en dat zal je merken in je zaak. Wat denk jij wel?" Maar bij Meertens was het het ergst. Meertens heeft Look werkelijk de deur uitgeduwd. Meertens die moet buiten zichzelf geweest zijn. Hij riep: „Uit mijn huis, schavuit! Uit mijn huis, vuilak!" Look schijnt daar iets van zichzelf verteld te hebben, om Meertens „een eind te krijgen". En Meertens was toen ineens vies van hem. Maar Cato riep: „Wij komen, hoor! Wij komen!" De héele stad is onderste-boven, de heele stad." Cobie zet haar muts weer op en kijkt nadenkend onder die groote pompon uit. „Als je — als je er belang in stelt, zal ik dan maar geregeld — zoo 's wat komen vertellen?" Hij knikt. „Graag — anders hoor ik toch niets, dat weet je wel. Ik kijk al naar je uit, tegenwoordig." Van die heldere glimlach in haar oogen schrikt hij een beetje. „Op mij kun je rekenen", belooft ze. Ze kijken elkaar van dichtbij aan. „En jij?", vraagt hij veel te ernstig, „biecht jij bij mij?" Nu krijgt ze zelf ook wat zwaarmoedigs over zich. „Dat moest ik wel doen — ik moest...", het is of haar tanden dat afbijten. Ze leunt dan al niet meer tegen de schrijftafel aan. Ze kijkt schuw opzij naar buiten. Dan moet ze ineens weg.

Het is al weer twee uur in de middag. En de ruiten hebben nog altijd een lijst van zilver-grijze vriesbloe-

Bruggenbouwers —16