is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar in het publiek te zeggen. Die dingen kun je heel wat beter onder vier oogen behandelen — dat blijft beter onder de roos." „Ha!", zegt Godlief, „niet in het pubhek? Dat dacht je maar, Japie." Hij vouwt een papier open en kijkt naar Taco om. „Ik heb een ingezonden stuk, mijnheer de redacteur — over Oxford, en mijn bevindingen te Yroonshoven — plaats je het?" Taco denkt aan het verwilderde gezicht van Ilse Look, aan Cato Meertens die huilend wegliep — aan zijn eigen leven van de laatste tijd, en hij neemt het papier van Godlief over. „Wat er ook in staat — ik plaats het. En geen letter wordt er geschrapt." Nu krijgt Wedzieg die rolronde plooien weer in zijn kop. Nu ziet Wedzieg er weer uit als een goedige dog die knipperend opkijkt in de zonneschijn — en die de wacht houdt bij zijn meester...

— Taco staart naar de lichtplekken op de muur van het kantoor, die hchtplekken schuiven langzaam — langzaam verder: de morgen gaat voorbij . . . Als de zon op de knoppen en sloten van de ladenkast valt, zal het twaalf uur wezen. Een onaangenaam gevoel bekruipt hem. „Hoe is het nou—thuis ?", denkt hij, „kan jij eigenlijk nog spreken van een -— thuis?, heb je dat. . .? Had je het al die jaren. . .? Nee immers! Maar het is er al-door minder op geworden: per slot was je een vreemde in huis — en een vreemde daarbuiten. Je bewoog je vrij. Je leefde toch als een man in een cel, afgesloten, zonder contact . . . En wat staat je nu nog te wachten? In het reine komt het toch niet meer. Wat moet je nou doen? Naar huis gaan?" Hij tobt er besluiteloos op door. „Als ze je nou met een zoen tegemoet komt?, of — verwilderd?, of wéér met dat strakke