is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maskergezicht rond loopt?" Het is of de sfeer van het huis hem al omgeeft: een hooge stilte sluit hem in, hij krijgt een gewaarwording van kou en eenzaamheid. „Zóo is het nou misschien niet. Daar weet ik niks van. In elk geval — het kan toch alleen maar lam wezen, hoe het dan ook is. Heb je nog lust om een stormachtige scène mee te maken?, een teedere verzoening met betuigingen van spijt — met hef desbetuigingen?, of lijkt het je niet het beste, om nou maar dadelijk een abonnement bij Stritz te nemen, en hier te slapen in het archiefkamertje?" Hij kijkt in de weerspiegeling van het raamglas naar de dikke rimpels in zijn voorhoofd. Dat leidt hem toch niet af. „Eten bij Stritz — gaat toch moeilijk bij al dat geklets in Rijckevorsel? Maar — wat dan? Ik hoor toch eigenlijk niet meer in de Schillerstraat thuis?" Werktuiglijk kijkt hij weer naar buiten. „Natuurlijk, Cobie komt niet — gelukkig niet. Dat kan ze toch ook niet doen, nou . . . God, ja, Cóbie . . ." Er is een ijl gedreun om hem heen, dat komt uit de drukkerij en het vinnige geklepper van de schrijfmachine is, zoo op het gehoor af, dichterbij dan anders — irriteerend dichtbij, en de kachel brandt knetterend: het is dan plotseling toch of hij in een diepe stilte en in een nijpende kou-vol-verlatenheid — uiteenvalt . . .

Iemand leunt naar hem toe: Jurgen. Hij knipoogt slaperig. „Ingedut?", denkt hij, „of —- wat was dat dan?" Jurgen kijkt eigenaardig. „Ik ben klaar met alles", mompelt hij en kijkt zoo dringend. „Och ja", denkt Taco, „wacht 's — dat baantje van Jozefien zeker." Hij strijkt over zijn hoofd en zucht zwaar en bedenkt zich even. Dan beduidt hij Jurgen dat hij maar