is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af. Ze heeft niets meer te verliezen, niets meer te verbergen. Ze prevelt: „De zwaarste straf is, dat ik het zelfs niet voor een honderdste gedeelte goed maken mag voor je, ik niet — een ander — een ander... Cobie ... En dat zal zoo wel moeten wezen, maar het is zwaar . . ." Haar stem wordt al flauwer, daalt tot een fluistering, een zuchten, sterft weg, is er niet meer. „Anne-Cris!", zegt hij hard. Ze schrikt, ze probeert recht-op te blijven zitten, maar ze kijkt met vreemde fletse oogen — oogenzonder-blik, en ze ademt zwaar en diep. „Nou begint het weer", hijgt ze, „dat benauwde — dat was vanmiddag ook ... je was er niet — je was — wacht maar, ik ga zoo weg, een beetje water, heb nog — even geduld, alsjeblieft." Ze heft haar beverige hand op of ze een glas aanpakken wil, haar hand valt slap terug. Ze zakt tegen de rugleuning van haar stoel aan, en nog verzet ze zich tegen de zwakte die haar overmeesteren wil, maar haar verzet breekt, haar hoofd glijdt overzij, haar oogen gaan dicht — ze zit daar of ze er neergegooid is, zit daar of ze al dood is — ze is enkel maar flauw gevallen.

En dit is dan de Anne-Cris-van-nu: een wit vervallen armzalig hoopje mensch, er zijn rimpels in haar gezicht achtergebleven — van de laatste dagen — een kerf tusschen haar oogen, diepe lijnen om haar vertrokken mond, groeven in haar voorhoofd. Taco kijkt op haar neer, stroef in zichzelf gekeerd. Hij wil zijn hand op haar haar leggen, en trekt zijn hand terug. Hij neemt dat glas met allonal van zijn bureau weg en leegt het in de waschbak onder de kraan, wascht het zorgvuldig om, vult het opnieuw, maakt haar polsen nat, haar slapen, en giet water tusschen haar lippen. Ze begint te trillen,